(Bron/foto: Avoord)
𝗪𝗶𝗲 𝗯𝗶𝗷 𝗔𝘃𝗼𝗼𝗿𝗱 𝘄𝗲𝗿𝗸𝘁, 𝗸𝗲𝗻𝘁 𝗵𝗲𝗺 𝘄𝗮𝗮𝗿𝘀𝗰𝗵𝗶𝗷𝗻𝗹𝗶𝗷𝗸 𝘄𝗲𝗹: 𝗖𝗲𝗲𝘀 𝘃𝗮𝗻 𝗱𝗲𝗻 𝗕𝗲𝗺𝗱 (𝟲𝟯). 𝗔𝗹 𝟯𝟯 𝗷𝗮𝗮𝗿 𝘇𝗼𝗿𝗴𝘁 𝗵𝗶𝗷 𝗲𝗿𝘃𝗼𝗼𝗿 𝗱𝗮𝘁 𝘀𝗽𝘂𝗹𝗹𝗲𝗻 𝗼𝗽 𝗱𝗲 𝗷𝘂𝗶𝘀𝘁𝗲 𝗽𝗹𝗲𝗸 𝘁𝗲𝗿𝗲𝗰𝗵𝘁𝗸𝗼𝗺𝗲𝗻. 𝗛𝗶𝗷 𝗯𝗲𝗴𝗼𝗻 𝗯𝗶𝗷 𝗵𝗲𝘁 𝗦𝘁. 𝗘𝗹𝗶𝘀𝗮𝗯𝗲𝘁𝗵𝘀𝗵𝘂𝗶𝘀 𝗲𝗻 𝘇𝗮𝗴 𝗔𝘃𝗼𝗼𝗿𝗱 𝗴𝗿𝗼𝗲𝗶𝗲𝗻 𝘁𝗼𝘁 𝗱𝗲 𝗼𝗿𝗴𝗮𝗻𝗶𝘀𝗮𝘁𝗶𝗲 𝘃𝗮𝗻 𝗻𝘂. 𝗘𝗲́𝗻 𝗱𝗶𝗻𝗴 𝘃𝗲𝗿𝗮𝗻𝗱𝗲𝗿𝗱𝗲 𝘃𝗼𝗼𝗿 𝗖𝗲𝗲𝘀 𝗻𝗶𝗲𝘁: 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗽𝗹𝗲𝘇𝗶𝗲𝗿 𝗶𝗻 𝗵𝗲𝘁 𝘄𝗲𝗿𝗸. “𝗜𝗸 𝗸𝗼𝗺 𝗻𝗼𝗴 𝗮𝗹𝘁𝗶𝗷𝗱 𝗳𝗹𝘂𝗶𝘁𝗲𝗻𝗱 𝗯𝗶𝗻𝗻𝗲𝗻.”
Half zeven ’s ochtends. Voor Cees van den Bemd is het geen vreemd tijdstip om aan zijn werkdag te beginnen. Met zijn bus rijdt hij langs verschillende locaties van Avoord. “Ik vervoer eigenlijk alles wat met de zorg te maken heeft: etenswaren, hulpmiddelen zoals rollators, podia voor voorstellingen, marktkramen en koffie. Echt van alles.”
Heel af en toe zit er zelfs iemand naast hem. Al is het dan geen echte passagier. “Ik moest een keer een opblaaspop meenemen voor iemand die vijftig werd. Die lag nog ergens op zolder. Ik heb de pop op de passagiersstoel gezet met een pruik op en netjes de gordel aan. Dan krijg je onderweg wel bekijks!”, Cees begint te lachen. “Dat is toch gewoon leuk?”
𝗩𝗮𝗻 𝗲́𝗲́𝗻 𝗹𝗼𝗰𝗮𝘁𝗶𝗲 𝗻𝗮𝗮𝗿 𝘀𝘁𝗲𝗲𝗱𝘀 𝗺𝗲𝗲𝗿 ‘𝗰𝗵𝗮𝘂𝗳𝗳𝗲𝘂𝗿𝗲𝗻’
Zijn loopbaan in de ouderenzorg begon in 1993 met een vacature in De Bode. “Ze zochten iemand voor het interne transport bij het St. Elisabethshuis. Ik ben op gesprek gegaan, maar werd in eerste instantie afgewezen. Nou, dacht ik, dan gaan we gewoon verder zoeken.” Vier dagen later ging alsnog de telefoon. De kandidaat die de baan had gekregen, had op het laatste moment afgezegd. “Ze belden mij met de vraag of ik toch nog wilde komen. Ja hoor! Zodoende ben ik op 17 mei 1993 begonnen.”
Zijn werk speelde zich toen nog grotendeels af binnen één locatie. “Ik deed het interne transport, gooide het afval weg en bouwde alles op en af voor voorstellingen en de dagbesteding. Het was allemaal heel kleinschalig. Je had het Elisabethshuis en daar werkte je.” Met het ontstaan van Avoord, 25 jaar geleden, veranderde dat. “Er kwam heel veel bij. We gingen ook in Zundert en Rijsbergen werken, en je kreeg onder andere Contrefort, Kloostergaard en Franciscushof. Daardoor hadden we ook meer personeel nodig.”
Zijn eigen werkzaamheden groeiden mee. “We hadden een grote centrale keuken en brachten van daaruit maaltijden naar alle locaties. Ik ben in het centrale magazijn gaan werken en steeds meer gaan ‘chauffeuren’. Dan bracht ik spullen naar de locaties die daar nodig waren. Maaltijden, maar bijvoorbeeld ook griepprikken.”
‘𝗔𝗹𝘀 𝗲𝗿 𝗻𝗶𝗲𝘁𝘀 𝘃𝗲𝗿𝗮𝗻𝗱𝗲𝗿𝘁, 𝗯𝗹𝗶𝗷𝗳 𝗷𝗲 𝘀𝘁𝗶𝗹𝘀𝘁𝗮𝗮𝗻’
Cees zag Avoord in de jaren daarna steeds groter worden. “Eerst had je het Elisabethshuis: één locatie en heel kleinschalig. Nu is het Avoord-breed.” Al die veranderingen vindt hij juist leuk. “Als er niets verandert, blijf je stilstaan. Ik vind de uitdaging die erbij komt kijken mooi en mijn werk is daarin meegegroeid.” Ook de mensen om hem heen veranderden. “Je maakt natuurlijk veel personeelswisselingen mee. Collega’s, managers, bestuurders: ik heb er heel wat zien komen en gaan. Maar iedereen is toppie! Ze kennen me en weten wat ze aan me hebben. Dan vragen ze: ‘Cees, hoe is het? Hoe gaat het met je?’ Dat vind ik mooi.”
Veel collega’s kent hij nog van vroeger. “Sommigen werkten vroeger ook in het St. Elisabethshuis en zitten nu op een andere locatie. Dan kom ik ze onderweg ineens weer tegen. Dat is heel fijn en dan denk ik: hé, ben jij hier ook nog?” Met collega Mario werkt hij zelfs al 33 jaar samen. “Van de oude garde ken ik nog veel mensen en ik weet inmiddels natuurlijk ook veel van de organisatie. Collega’s komen regelmatig met vragen naar mij toe.”
𝗩𝗮𝗻 𝗠𝗮́𝘅𝗶𝗺𝗮 𝘁𝗼𝘁 𝘃𝗮𝘀𝘁𝘇𝗶𝘁𝘁𝗲𝗻 𝗶𝗻 𝗵𝗲𝘁 𝗮𝘀𝗳𝗮𝗹𝘁
In 33 jaar verzamelde Cees heel wat herinneringen. Eén van de bijzondere momenten was het bezoek van koningin Máxima. Tijdens het gesprek wijst hij naar een stoel. “Kijk, daar heeft ze gezeten. Ze is ook in de kapel geweest. Ik vond dat wel mooi. Ik dacht: ‘Wauw, wat een grote vrouw is dat eigenlijk’. Normaal zie je haar alleen op televisie en nu zag ik haar in het echt.”
Ook uit de tijd van het oude St. Elisabethshuis komen de verhalen snel boven. Zo denkt hij nog weleens terug aan een bewoner met een driewieler. In het parkje werd een nieuwe laag asfalt aangebracht. “Er was nog gezegd dat niemand eroverheen mocht, naar hij was eigenwijs en wilde er toch langs. Hij reed zo het verse asfalt in en kwam helemaal vast te zitten met zijn wielen. Zijn banden werden steeds dikker van het asfalt”, Cees lacht. “Dat vergeet je dan ook niet meer.”
‘𝗪𝗮𝘁 𝗺𝗼𝗲𝘁 𝗶𝗸 𝘀𝘁𝗿𝗮𝗸𝘀 𝘁𝗵𝘂𝗶𝘀 𝗴𝗮𝗮𝗻 𝗱𝗼𝗲𝗻?’
Toch overheerst na 33 jaar vooral het plezier. “Ik vind alles leuk! Ik ben nog nooit met tegenzin naar mijn werk gegaan. Ik kom altijd fluitend binnen. Ik kan goed met mijn collega’s overweg en vind het gewoon leuk om iedereen te zien.” Zelfs na een vakantie is Cees blij als hij weer mag beginnen. “Ik heb pas drie weken vakantie gehad. Daarna ben ik echt weer blij dat ik aan het werk kan. Ik zit toch in een bepaald ritme.” Geen dag voelt daarbij hetzelfde. “Het lijkt misschien wel hetzelfde, want je rijdt steeds naar de locaties. Maar je komt elke keer weer iemand tegen van wie je denkt: ‘Hé, ben jij hier ook nog?’. Dat maakt het werk zo leuk en afwisselend.”
Dat verklaart ook waarom Cees liever nog niet te lang nadenkt over zijn pensioen. “Ik moet er niet aan denken dat ik over vier jaar met pensioen moet. Dan ben ik klaar. Wat moet ik dan gaan doen? Ik denk dat ik toch echt weer iets moet gaan zoeken.” Voor de toekomst van Avoord hoopt hij vooral dat de mensen die de organisatie maken, blijven. “Ik hoop dat Avoord goed gekwalificeerd personeel behoudt. Er komt steeds meer innovatie om te helpen als er minder personeel is, maar goede mensen zijn belangrijk. Lekker optimistische mensen, want daar is het fijn mee te werken. Goed personeel houdt het ook bij elkaar.”
Tot het zover is, stapt Cees gewoon weer in zijn bus. “Ik vind mijn werk gewoon hartstikke leuk, dus laat het lekker zo blijven.”




